In dit project maken de leerlingen kennis met ‘vraag en antwoord’ in de muziek. Ze beluisteren voorbeelden van deze muziektechniek en starten met het aanleren en zingen van een canon. In de verschillende opdrachten ontdekken ze meerdere vormen van ‘vraag en antwoord’. Ze combineren zang met dansbewegingen. Vervolgens werken ze met coördinatie en ritmes. Ze horen en zingen tekstregels in talen die ze misschien nog nooit gehoord hebben. De leerlingen maken tot slot een eindpresentatie waarin ze combineren wat ze ontdekt hebben binnen het thema. Al improviserend komt een gezamenlijke compositie tot stand.
Welkom! Je gaat in de klas werken met het lesmateriaal van Cultuuronderwijs op zijn Haags (COH). Voor je aan de slag gaat leggen we je uit hoe je dit project tot een succes kunt maken.
Samen ontdekken Onze cultuurlessen zijn gebaseerd op de didactiek van procesmatig werken, de leerlingen doorlopen hierbij een creatief proces. Zij worden zich bewuster van zichzelf, hun omgeving en ontdekken op een speelse manier hun creatieve vermogen. Met als kern dat je als leerkracht samen met de leerlingen beleeft, beschouwt, verbeeldt, bedenkt en maakt.
Houdingsdoelen Bij de introductie, oriëntatie en opdrachten worden kennisdoelen en vaardigheidsdoelen benoemd. Onderstaande houdingsdoelen gelden in het algemeen:
De leerling toont zich nieuwsgierig en proactief.
De leerling kan positief-kritisch reflecteren op eigen werk en op dat van anderen.
Overleg en deel je plannen met de ICC’er of je cultuurcoach.
Wij adviseren je het hele project van tevoren door te lezen om je goed voor te bereiden en de mogelijkheden te ontdekken die het project biedt.
Je kunt het lesmateriaal ook downloaden en printen. Gebruik het digibord voor het beeldmateriaal.
Als richtlijn adviseren wij voor het doorlopen van het creatief proces in het hele project, zes tot acht lesmomenten in te plannen. Alle projecten hebben een introductie, oriëntatie en drie opdrachten. Je kunt ervoor kiezen het lesmateriaal naar eigen wens aan te passen.
Iedere opdracht heeft dezelfde opbouw: onderzoeken, uitvoeren en presenteren. De reflectievragen kunnen tijdens en na iedere fase van het creatief proces met de individuele leerling of de hele groep besproken worden.
Nodig eens een kunstenaar in de klas uit. Die kan levendig en beeldend over zijn/haar/diens vak vertellen, aansluitend bij het project. Het gerelateerde aanbod bij dit project vind je op onze site.
Een bezoek aan een voorstelling, tentoonstelling of vaste collectie in een Haagse culturele instelling is ook van grote meerwaarde. Zie VONK voor het actuele aanbod.
Bedenk ook van tevoren bij welke onderdelen je ouders en/of verzorgers kunt of wilt inschakelen. Het project gaat meer leven als er ook buiten de klas aandacht voor is.
Maak foto’s of filmpjes van de diverse presentatiemomenten en deel deze via de schoolwebsite, klassenapp of andere kanalen.
Projectspecifieke informatie
Over dit project De leerlingen maken kennis met de muziektechniek ‘vraag en antwoord’ (call-en-response). Ze passen de techniek op verschillende manieren toe. Ze leren een canon aan, combineren een lied met ritme en dansbewegingen en focussen op handcoördinatie en slagwerkritme. Al deze elementen worden gebruikt voor het maken van een gezamenlijke eindpresentatie.
Er worden twee hoofddoelen geformuleerd die specifiek zijn voor het hele project. Dit zijn doelen op het gebied van kennis en vaardigheden. Aan het eind van het project worden deze doelen geëvalueerd met behulp van de succescriteria op het gebied van zelfregulering: de leerling kijkt terug en blikt vooruit.
Reflecteren De reflectievragen bij de verschillende fases van het creatief proces kunnen tijdens en na iedere fase met de individuele leerling of de hele groep besproken worden. Zie ook de hand-out: Rollen van de leerkracht.
Taalonderwijs Wil je woorden uit dit project koppelen aan taalonderwijs? Raadpleeg dan de begrippenlijst.
Bij elke opdracht staat een opsomming van benodigdheden weergegeven. In de Toolbox muziek vind je meer informatie over het bespelen van de instrumenten uit het schoolmuziekinstrumentarium. Daarnaast worden verschillende werkvormen verder uitgelegd.
2. Introductie
Hoofddoel kennis
De leerling legt uit wat een canon, basisbeat, call-en-response en vormschema zijn.
Kennis maken met vraag en antwoord Doorloop de volgende stappen:
Bespreek met de leerlingen dat 'vraag en antwoord' (ook call-en-response genoemd) een muziek techniek is. Het is een patroon in liedjes waarbij een musicus een vraag stelt of oproep doet die beantwoord wordt door een of meerdere musici.
De groep komt uit Zuid-Afrika, de taal waarin ze zingen is Zoeloe.
Wat is er opvallend aan deze muziek? Denk aan: solo en meerstemmig zingen, bijna vertellend zingen. Vraag en antwoord: Eén zanger begint, de rest zet daarna in. Waar gaat het lied over denk je? Laat de liedtekst eventueel vertalen door Google.
Bekijk, beluister en bespreek het lied Birth of a new age van Jeangu Macrooy in een uitvoering met de band Fuse. Het muziekgenre ligt tegen soul aan en heeft door het gebruik van de percussie en de wisseling tussen vraag-en-antwoord elementen uit de Kawina, een muziekstijl die afkomstig is uit Suriname, het geboorteland van Macrooy. De tekst is gedeeltelijk in Sranan Tongo gezongen.
Hoe noem je dat gedeelte? (chorus)
De tekst is: Yu no man broko mi. (Niemand kan mij breken)
Wat is het verhaal achter deze tekst?
Horen de leerlingen hoe vraag en antwoord verwerkt zijn in deze muziek en in het lied?
In de oriëntatiefase van de les voer je naar aanleiding van de introductie een filosofisch gesprek. Dit is belangrijk voor het creatieve proces. Je kunt het filosofische gesprek natuurlijk ook tijdens de andere lesonderdelen inzetten. Stel hierbij (een aantal van) onderstaande vragen:
Op welke manieren kun je in de muziek spelen met vraag en antwoord?
Hoe voelt het om een muzikaal antwoord te krijgen?
Kun je met muziek een verhaal vertellen?
Welk ritme heeft jouw hart?
Kun je dansen zonder ritme?
Als iets altijd doorgaat, is er dan ergens een begin en een eind?
Je eigen hartslag De leerlingen gaan in deze opdracht de canon Congo Boat Song zingen en begeleiden.
Doorloop de volgende stappen:
Laat de leerlingen hun eigen hartslag voelen. Zoek samen naar de plek waar je deze het beste kunt voelen: op je pols, in je nek of door je hand op je hart te leggen.
Als alle leerlingen hun eigen hartslag hebben gevonden, laat je de klas stil worden.
Vraag de leerlingen om hun ogen dicht te doen en zich te concentreren op de eigen hartslag.
Geef de leerlingen de opdracht om hun hartslag zachtjes mee te zeggen (‘doem-doem’) of te tikken.
Bespreek na wat er gebeurde:
Hebben we allemaal hetzelfde tempo?
Heb je iemand gehoord die misschien gelijk ging met jouw hartslag?
Congo Boat Song Het zingen en begeleiden van het lied kan in gedeeltes aangeleerd worden, gedurende drie of vier momenten in de week. Bij de stappen die nodig zijn om het lied aan te leren, hoef je niets voor te zingen als je dat niet prettig vindt. Er wordt gebruikgemaakt van luistervragen en de opname. Leer de canon op onderstaande manier aan.
Deel 1 (10 minuten)
Zet bijlage 2. Congo Boat Song tekst en muzieknotatie op het digibord klaar. Bespreek dat de oorsprong van dit lied niet bekend is. En ook niet of het daadwerkelijk uit Congo komt. Misschien is het een roeierslied. En mogelijk is de vertaling zoiets als: Ah, ik ben zo moe. Maar het kan ook fantasietaal zijn. Laat de leerlingen eerst één keer naar bijlage 3. Mp3 Congo Boat Song (gezongen versie) luisteren en vraag wat er met de tweede zin gebeurt. Gaat de melodie daar omhoog of naar beneden? (Omhoog.) Laat de leerlingen nu alleen zin twee meezingen: ‘Ah, oh, ah, oh’.
Laat het lied nog een keer horen en vraag of ze op het volgende willen letten: In het lied wordt twee keer de tekst ‘Keddem, kedee’ gezongen. Wordt dit op dezelfde manier gezongen of op verschillende manieren? (Verschillend, de laatste keer wordt er op dezelfde toon gezongen en bij de eerste keer op verschillende tonen.)
Wie kan het ritme van ‘Keddem, kedee’ ritmisch klappen? Laat de leerlingen er zo nodig nog een keer naar luisteren.
Laat de leerlingen nu zowel de gedeeltes ‘Keddem, kedee’ als ‘Ah, oh, ah, oh’ meezingen.
Wie kan het eerste gedeelte van de zin uitspreken, tot ‘Keddem kedee’? Laat het lied eventueel eerst nog een keer horen. De leerlingen herhalen de zin. Wie kan dit ritmisch uitspreken, zoals in het lied gebeurt? De leerlingen herhalen dit. Herhaal dit een aantal keren, net zolang totdat ze de zin goed beheersen. Doe hetzelfde met de laatste zin: eerst uitspraak en dan ritmisch uitspreken.
Oefen nu het geheel. Herhaal het liedje een paar keer zonder onderbreking.
Hebben de leerlingen in de gaten dat ze na de laatste zin niet gelijk weer herhalen maar dat er even pauze tussen zit?
Deel 2 (10 minuten)
Zing het lied nog een keer met de klas. De leerlingen weten inmiddels dat het een canon is.
Vraag of ze kunnen horen bij welke zin en bij welk woord de tweede persoon inzet. (Bij ‘Ah, oh’. Er staat ook een 2 boven de tekst. De tweede groep start op dat moment vanaf het begin van het lied en er klinken dan twee verschillende zinnen door elkaar heen.)
Vraag aan de leerlingen om die tweede stem mee te zingen. De stem die op het Mp3 bestand begint is dan groep 1 en de klas is groep 2.
Ze zingen het lied één keer in zijn geheel plus nog een keer regel 1.
Herhaal dit, maar verdeel de klas nu in twee groepen. De ene groep zingt vanaf het begin en de andere groep pas bij de tweede inzet.
Stel de volgende vraag: Met hoeveel verschillende groepen kan het lied maximaal in canon gezongen worden? (Met drie groepen.) De derde groep zet in op de plek waar een 3 staat. Verdeel de klas in drie groepen en zing het lied in canon. Geef aan wie er begint, wie er daarna inzet en wie er als laatste inzet. Eventueel kun je de inzetten als dirigent aangeven.
Deel 4 (10 minuten)
In dit gedeelte wordt er bij de canon meegespeeld op boomwhackers. Gebruik ter verduidelijking het filmpje Boomwhackers meespelen Conga Boat Songuit de Toolbox Muziek. In het filmpje zijn twee versies te zien; beide zijn in het filmpje te zien en worden visueel ondersteund door de te spelen letter en kleur van de boomwhacker.
Laat bijlage 5 op het digibord zien en vraag hoeveel verschillende partijen er meespelen. (Drie, net als het maximale aantal partijen bij de canon.) Zet het eerste gedeelte ('Versie 1') van het filmpje aan en tik zachtjes mee met de boomwhackers (de hartslag).
Laat een paar leerlingen op de C, E en G meespelen bij het begin van het filmpje. De andere leerlingen tikken zachtjes mee. Doe dit ook met versie 2 van het lied (vanaf 0:21).
Oefen nu versie 2 (10 minuten):
Bekijk het filmpje nu helemaal.
Vraag aan de leerlingen wat het verschil is tussen versie 1 en versie 2. (In versie 2 blijven de tonen niet hetzelfde en komen de F en de A erbij).
Vertel dat de boomwhackerpartij uit twee gedeeltes bestaat: twee keer vier tellen. Het eerste gedeelte kennen we al. In het tweede gedeelte veranderen de tonen. Twee tellen CFA en dan weer terug naar twee tellen CEG.
Vraag op welk woord partij 1, 2 en 3 beginnen. (Op 'Ah Sued') Op welk woord beginnen de nieuwe tonen A en F? (Bij 'Ked-dem'.)
Laat een aantal leerlingen zachtjes meespelen met de juiste boomwhackers. De andere leerlingen tikken zachtjes op de maat mee.
Voeg nu alles samen. Een gedeelte van de leerlingen speelt de boomwhacker-partij en de andere leerlingen zingen het lied. Je kunt uiteraard eerst zachtjes met de video-opname meespelen en vervolgens bijlage 3 gebruiken.
Mocht dit goed gaan, dan kun je het uiteraard ook in canon zingen.
Succescriterium
Bespreek met de leerlingen de opdracht(en): welke onderwerpen gaan zij onderzoeken de komende les of tijd? Formuleer vanuit het filosofisch gesprek en/of de oriëntatie-opdracht, samen met de leerlingen, een succescriterium waaraan zij werken. Een voorbeeld van een succescriterium bij dit project:
De leerling voert Afrikaanse liedjes, dansmoves en ritmes uit, waarbij hij speelt met herhaling, antwoorden en wederkerigheid.
4. Opdracht: Zing en swing
In deze opdracht gaan de leerlingen eenliedzingen,maken ze kennis met de taal Swahili en verschillende dansmoves.Vervolgensvertalenzedekennisophuneigenmaniernaareenpresentatie waarin zang en dans samenkomen.
Subdoel kennis
De leerling legt uit hoe je een vormschema gebruikt.
Subdoel vaardigheid
De leerling zingt een Swahili lied en danst en beweegt erbij.
Doorloop de vaste onderdelen binnen elke projectopdracht: onderzoeken, uitvoeren en presenteren.
‘Jambo’ (15 minuten)
Vertel de klas dat ze naar een lied gaan luisteren dat in het Afrikaans wordt gezongen.
1. Zet het begin van het lied ‘Jambo’ (versie 1) aan en vraag of de leerlingen willen kijken wat de woorden betekenen die in het lied voorkomen. Zet het lied stil nadat het twee keer is gezongen. Bespreek wat ze hebben gezien:
In welke taal wordt er gezongen? (KiSwahili.)
Welke woorden heb je onthouden?
Weet je nog wat ze betekenen?
Laat het lied ‘Jambo’ nogmaals horen (zet het lied stil nadat het twee keer is gezongen) en vraag of de leerlingen willen luisteren naar de uitspraak van de woorden. Laat hen nog niet hardop meezingen.
Doorloop onderstaande tekst en vraag steeds of iemand in de klas het woord wil uitspreken. Bespreek daarbij gelijk de betekenis en laat de klas het woord hardop zeggen. Jambo = Hallo Jambo Bwana = Hallo meneer Habari Gani = Hoe gaat het? Msuri Sana = Heel goed Wageni = Bezoekers Mwakaribishwa = Jullie zijn welkom / We heten jullie welkom Kenya jetu = Ons Kenya Hakuna Matata = Er is geen probleem
Welke woorden zijn makkelijk uit te spreken en mee te zingen? (Dit zullen de eerste twee en de laatste woorden zijn). Zet het lied nogmaals aan en laat de leerlingen deze woorden meezingen.
Laat nu de gehele opname horen. Het lied wordt meerdere keren achter elkaar gezongen. De leerlingen kunnen dus geleidelijk aan steeds meer proberen mee te zingen.
Wat gebeurt er in het laatste gedeelte van de opname? (Na de eerste twee zinnen krijg je een vraag-en-antwoordgedeelte. Het antwoord is elke keer: Hakuna Matata. Let op! Dit wordt anders uitgesproken dan in de rest van het lied.) Zet het laatste gedeelte (vanaf 2:13) aan en vraag of de leerlingen het antwoord (Hakuna Matata) steeds willen meezingen.
Het lied kan gedurende de week uiteraard nog een aantal keren gezongen/geoefend worden.
Deze opdracht kan op verschillende momenten in de week worden gedaan. Doorloop onderstaande stappen.
Dansbewegingen
Deel 1 (15 minuten) Vertel dat jullie een aantal basismoves gaan leren. In dansclip 1 zien we een dansles door een docent uit Zimbabwe. Zet dansclip 1 aan en probeer alle dansmoves mee te doen. Eventueel kan dit op een ander moment in de week herhaald worden.
Deel 2 (10 minuten) We gaan de dansmoves nog wat verder uitbreiden. Zet dansclip 2 aan en probeer ook deze dansmoves mee te doen. Eventueel kan dit op een ander moment in de week herhaald worden.
Zing allereerst het lied ‘Jambo’ (versie 2) met de hele klas. In deze versie is de vertaling weggelaten. Bedenk vervolgens dansmoves bij het lied. Houd daarbij de vorm van het hele lied in de gaten:
Tekst
Tussenstuk (Net zo lang als het tekst-deel)
Tekst 2x
Tussenstuk (Net zo lang als de tekst)
Tekst 4x
Laatste gedeelte/naspel (Outro)
Je kunt deze presentatieopdracht met de hele klas uitvoeren of de taken verdelen en in groepjes werken. Neem het eindresultaat eventueel op of presenteer het aan de school of een andere groep.
Optie 1: In groepjes werken Maak negen groepjes van circa drie leerlingen en geef elk groepje één gedeelte van het lied. Laat het naspel achterwege. Zitten er minder leerlingen in de klas, dan kun je ook alleen de liedgedeeltes (7x) verdelen en de tussenstukken gezamenlijk bedenken.
Optie 2: Met de hele klas Bedenk samen met de leerlingen een vast patroon bij het lied en oefen dat met de klas. Doe vervolgens hetzelfde met het tussenstuk. Bij het eindspel/outro kan er eventueel geïmproviseerd worden, bijvoorbeeld door een paar leerlingen bij de vraag en het antwoord. Daarna kunnen andere leerlingen iets doen bij de volgende vraag-antwoord, enzovoort. De groep kan steeds ‘Hakuna Matata’ meezingen en daar een gezamenlijke beweging bij bedenken.
Reflectie subdoelen
Hoe ontdekte je passende dansmoves bij het lied?
Reflectie proces
Hoe voelde het om op deze manier te dansen?
5. Opdracht: Talking drums
In deze opdracht onderzoeken de leerlingen verschillende Afrikaanse ritmes. Ze experimenteren met bewegingen en opdrachten die de links-rechtsmotoriek (de samenwerking van de hersenen) versterken. De leerlingen experimenteren met het call-and-response-spel aan de hand van Afrikaanse djembéritmes. Hoe voer je die uit, hoe kun je die combineren met improvisaties tussendoor? Het resultaat is een presentatievorm waarin alle elementen aan bod komen.
Subdoel kennis
De leerling legt het principe van call-and-response uit.
Subdoel vaardigheid
De leerling improviseert met verschillende ritmes.
Benodigdheden
djembés, cajons, bongo’s, conga’s, handtrommen (indien op school aanwezig)
Doorloop de vaste onderdelen binnen elke projectopdracht: onderzoek, uitvoeren en presenteren.
Kneesy, Earsy, Nosey
Bij het uitvoeren van Afrikaanse ritmes speelt handcoördinatie een grote rol. Doe daarom eerst wat opwarmingsoefeningen voor de coördinatie. Deze oefeningen kunnen op elk moment in de week worden gedaan, eventueel gekoppeld aan andere lessen of zomaar tussendoor. Je hoeft ze niet allemaal te doen, kies welke je leuk vindt, maar doe in ieder geval de laatste (met de L-R-patronen). Over het algemeen vinden leerlingen dit soort spelletjes leuk, maar laat het vooral niet te lang duren. Het doel is een bewustwording van links en rechts en de onafhankelijkheid van de handen.
Coördinatie-oefeningen Laat de video Kneesy, Earsy, Nosey van Laurel & Hardy zien. Vraag de leerlingen waarover het hier gaat. (Coördinatie tussen de handen.) Probeer het zelf maar eens! Er zijn nog meer oefeningen voor de coördinatie, bijvoorbeeld de volgende:
Maak tweetallen. Leerling 1 strekt de armen en kruist deze over elkaar. Hij vouwt vervolgens de handen in elkaar en draait ze naar binnen toe. De vingers zitten nu in elkaar gevouwen. Leerling 2 gaat nu een vinger aanwijzen zonder deze aan te raken, leerling 1 moet die vinger proberen op te tillen. Draai daarna de rollen om.
Probeer met je linkerhand een cirkel in de lucht te tekenen terwijl de andere hand een vierkant tekent. In de gymles hebben de leerlingen dat wellicht in het groot gedaan. In het klein is het veel moeilijker.
Het handenspel. Let op: bekijk zelf van tevoren de video ‘The Hand Game’. Dit spel kun je het beste in een gymles doen of op een plek waar wat meer ruimte is.
Schrijf onderstaande patronen op het bord. Laat de leerlingen tikken op hun schoot. Tel hierbij hardop “één, twee, drie, vier” en blijf dit doen terwijl zij op hun schoot tikken. L = links en R = rechts:
1 2 3 4 L – R – L – R, etc. L – R – L – L, etc. R – L – R – R, etc. L – R – L – L – R – L – R – R, etc.
Tip! Je hersenen moeten wennen aan de oefeningen en hebben in het begin tijd nodig om de juiste signalen door te geven. Als je dit vaker doet, zal je merken dat het steeds wat makkelijker gaat. Het is letterlijk hersengymnastiek!
Bij deze opdrachten kun je het beste steeds eerst op de benen laten tikken en daarna de instrumenten gebruiken (indien aanwezig op school). Uiteraard is een alternatief zoals een omgekeerde emmer of een lege yoghurtemmer ook een mogelijkheid. De les kan in drie delen worden opgesplitst.
Call & Answer
Deel 1 (10 minuten)
Laat een stukje van de video ‘Call & Answer’ voorbeeld 1 zien. Bespreek wat de klas heeft gezien en gehoord. Leg uit dat het voor- en nadoen ‘call-and-answer’ of ‘call-and-response’ wordt genoemd. Iemand is de leider en speelt een ritme voor: dit noem je de call. De rest van de groep speelt na: dit noem je de answer/response.
Kijk nog een keer naar het eerste gedeelte van het fragment. Vraag aan de leerlingen of ze kunnen horen wat de leider van de groep nog meer voor ritme/geluid maakt. (Hij tikt mee in de maat, speelt de hartslag, hij heeft waarschijnlijk belletjes om zijn been gedaan.) Is er iemand die het hoort en mee kan tikken met de belletjes? Doe dit eventueel allemaal door zachtjes mee te tikken op je benen.
Vraag of de leerlingen nu de response mee kunnen doen met de groep in het filmpje door op hun bovenbenen te tikken. Ze gebruiken beide handen, net als de mensen in de video. Zet het fragment nogmaals aan. Oefen dit eventueel een aantal keer.
Deel 2 (15 minuten)
Wanneer je ervoor hebt gekozen om in delen te werken, start dan met het filmpje van deel 1 om er weer in te komen. Nu gaan we dit zelf proberen. Zet bijlage 6: mp3 ‘Basisbeat, puls, hartslag’ aan en laat iemand (jijzelf of een leerling die graag wil) een call spelen, de rest van de groep doet de response. Diegene kan één ritme bedenken of meerdere. Let op: alles wat bedacht wordt is goed! Tip: sommige mensen vinden het lastig om ritmes te bedenken. Bekijk ter inspiratie eventueel eerst het filmpje ‘Hoe bedenk je een ritme’.
Laat iemand anders dit ook proberen. Uiteindelijk kun je een soort ‘ritmeslang’ door de klas maken. Iedereen bedenkt om de beurt één keer een ritme (call) en de klas herhaalt (response).
Deel 3 (25 minuten)
Zet de video ‘Call & Answer’ voorbeeld 2 klaar. Zeg dat de leerlingen nog niet mee mogen doen, maar eerst gaan kijken. Wat is er anders dan de vorige video? (De puls/hartslag is nu veranderd in een basisritme. Die klinkt als: Peer – en Mango.) Wat is er hetzelfde? (Call-and-response.)
Zet de opname nogmaals aan (vanaf 0:40) en speel allemaal het basisritme mee op de benen. Probeer daar nog even mee door te gaan, ook als de andere twee personen ritmes gaan bedenken. Lukt het om niet in de war te raken en niet met de andere spelers mee te gaan doen?
Zet de opname nogmaals aan (vanaf 0:40) en vraag of de leerlingen nu met de response mee willen doen.
Maak twee groepen. Laat de ene groep meedoen met de basisbeat en de andere met de response.
Probeer dit nu ook zonder de opname. Eén leerling speelt het basisritme op een trom, een andere leerling bedenkt een call en de rest van de groep speelt de response.
Voeg nu het element ‘improvisatie’ toe. Leg uit dat dit ‘zelf verzinnen’ betekent. De klas speelt zachtjes het basisritme ‘Peer – en Mango’ op de benen en de leerkracht of een leerling speelt nu op een trom een reeks van ritmes achter elkaar, alsof je meerdere fruitsoortcombinaties aan elkaar plakt. Tip: improviseren is altijd goed! Niemand weet wat je gaat spelen dus kan het ook niet ‘fout’ zijn. Wel is het belangrijk dat degene die improviseert goed naar de basisbeat luistert en in dat tempo iets bedenkt.
Laat nu meerdere leerlingen improviseren. Je kunt een ‘improvisatieslang’ door de klas laten gaan. De ene helft speelt het basisritme, de andere helft gaat om de beurt improviseren. Wissel het daarna om.
Bedenk samen met de groep een presentatievorm. Er zijn vele variaties mogelijk en het mag zo lang zijn als gewenst. Hieronder vind je een voorbeeld. Probeer een aantal vormen uit totdat de vorm is gevonden die het beste bij de klas past.
Zing ‘Jambo’ (eventueel met dans en het basisritme ‘Peer – en Mango’).
Laat het basisritme doorgaan als het lied is afgelopen.
Call-and-response (8 keer).
Laat het basisritme doorgaan.
Improvisatie door solist of solisten (eventueel samen met solodans).
Laat het basisritme doorgaan
Call-and-response (8 keer).
Laat het basisritme doorgaan en zing en dans nogmaals ‘Jambo’.
Reflectie subdoelen
Hoe heb jij jouw ritme bedacht?
Reflectie proces
Ben jij liever caller of responder?
6. Opdracht: The Voice, Dance and Rhythms of Africa
In deze laatste opdracht staat het bedenken, oefenen en presenteren van een complete performance centraal. Eventueel kan de performance ‘aangekleed’ worden met behulp van extra attributen of door kledingafspraken te maken. De leerlingen spreken van tevoren duidelijk af wie de basisbeat speelt, wie de call gaat geven, wie de improvisaties gaan doen en wie er gaan dansen.
Subdoel kennis
De leerling legt uit hoe je een totaalpresentatie kunt maken vanuit verschillende onderdelen.
Subdoel vaardigheid
De leerling presenteert een Afrikaans lied met een basisbeat, call-and-reponse en dans.
Benodigdheden
djembés, Cajon, bongo’s, conga’s en handtrommen (indien op school aanwezig)
eventuele attributen om de presentatie aan te kleden
begeleiding/mp3 van het eventueel te gebruiken lied
Aan de slag in de klas
Doorloop de vaste onderdelen binnen elke projectopdracht: onderzoek, uitvoeren en presenteren. Aan het eind van deze opdracht staan evaluatievragen die betrekking hebben op het hele project.
African Style
Doorloop de volgende stappen:
Bepaal met elkaar de vorm van de eindpresentatie.
Verdeel de klas in vier groepen. Uiteraard zijn er altijd leerlingen die én kunnen zingen én de basisbeat kunnen spelen. Dat kan natuurlijk ook!
Groep 1: zanggroep
Groep 2: dansgroep
Groep 3: drie of vier kinderen die de basisbeat spelen
Groep 4: call-and-response-groep (spreek af wie de call en wie de improvisatie doet)
Oefen alle onderdelen apart.
Spreek af of er nog extra attributen en/of kledingafspraken nodig zijn voor de presentatie.
Oefen de presentatie nu in zijn geheel. Maak er eventueel een nog completer verhaal van. Breid de presentatie eventueel uit met het gebruik van beelden, bijvoorbeeld van de leerlingen die aan het werk zijn, beelden van Afrika en/of beelden die de leerlingen zelf verzameld hebben.
Presenteer de uiteindelijke compositie. Een uitvoering als deze is bij uitstek geschikt om aan een publiek te presenteren; aan andere klassen en/of ouders. De uitvoering zou zelfs een onderdeel kunnen zijn van de jaarafsluiting van groep 8.
Reflectie subdoelen
Waarom koos je voor dit onderdeel van de eindpresentatie?
Bespreek met de leerlingen het doorlopen proces aan de hand van onderstaande vragen.
Wat vond je leuk aan het werken aan dit Afrikaanse project?
Welk onderdeel zou je nog wel een keer willen doen? Waarom?
Zou je later zelf djembé speler of danser willen zijn?
Eindreflectie: zelfregulatie terugkijkend
Heb je iets nieuws ontdekt over jezelf tijdens het zingen, dansen of improviseren van ritmes uit Afrika?